Digitaal toegankelijk onderwijsmateriaal: waar begin ik?
Digitale toegankelijkheid helpt studenten om jouw onderwijsmateriaal zelfstandig te gebruiken. Dat is bijvoorbeeld belangrijk voor studenten die een schermlezer gebruiken, slecht horen of tekst vergroten. Ook een duidelijke structuur en begrijpelijke instructies helpen studenten bij het leren.
Dit artikel geeft je de achtergrond en de belangrijkste uitgangspunten. Daarna kies je de handleiding die past bij het materiaal waarmee je werkt.
Waarom is digitale toegankelijkheid belangrijk?
Studenten moeten een opdracht kunnen begrijpen, informatie kunnen vinden en de benodigde handelingen kunnen uitvoeren. De manier waarop je materiaal aanbiedt, mag daarbij geen onnodige belemmering vormen.
Een belemmering is niet altijd zichtbaar. Een pagina kan er overzichtelijk uitzien, terwijl een schermlezer de informatie in een onlogische volgorde aanbiedt. Door toegankelijkheid vanaf het begin mee te nemen, verklein je de kans dat je later afzonderlijke alternatieven moet maken.
Toegankelijk materiaal helpt bovendien in alledaagse situaties, bijvoorbeeld wanneer een student een video zonder geluid bekijkt.
Wat betekent WCAG?
WCAG staat voor Web Content Accessibility Guidelines. Deze internationale richtlijnen bevatten toetsbare eisen voor digitale toegankelijkheid. Ze zijn opgebouwd rond vier uitgangspunten:
- Waarneembaar: studenten kunnen de informatie waarnemen, eventueel via een alternatief.
- Bedienbaar: studenten kunnen navigeren en functies gebruiken.
- Begrijpelijk: de informatie en de bediening zijn duidelijk.
- Robuust: de inhoud werkt met verschillende technologieën, waaronder hulpmiddelen.
Meer achtergrond vind je bij W3C over de toegankelijkheidsprincipes.
WCAG kent de niveaus A, AA en AAA. Niveau AA omvat de toepasselijke eisen van A én AA. De helpitems in deze reeks gebruiken WCAG 2.2 A en AA als inhoudelijk uitgangspunt.
Zes basisprincipes voor je onderwijsmateriaal
De onderstaande principes helpen je om vanuit de student naar je materiaal te kijken. De uitwerking en de bijbehorende handelingen vind je in de handleidingen verderop.
- Duidelijke structuur en opmaak. De student kan onderdelen herkennen en de informatie in een logische volgorde volgen.
- Passende tekstalternatieven bij afbeeldingen. De betekenis van een informatieve afbeelding is ook beschikbaar voor studenten die deze niet kunnen zien.
- Voldoende contrast en begrijpelijk kleurgebruik. Informatie is goed te onderscheiden en blijft begrijpelijk zonder kleuren te kunnen herkennen.
- Herkenbare en eenvoudige tabellen. De student kan begrijpen hoe gegevens in rijen en kolommen bij elkaar horen.
- Duidelijke links en aanwijzingen. De student begrijpt waar een link naartoe leidt en welke handeling wordt verwacht.
- Toegankelijke audio en video. De benodigde informatie is ook beschikbaar voor studenten die het geluid niet horen of het beeld niet zien.
Deze zes principes zijn een praktisch vertrekpunt en dekken niet alle WCAG-eisen. Een rustige opmaak kan de leesbaarheid verbeteren, maar is op zichzelf geen bewijs dat materiaal aan WCAG voldoet.
Welke handleiding gebruik ik?
Begin met het materiaal dat studenten nodig hebben voor de eerstvolgende leeractiviteit. Kies vervolgens de bijbehorende handleiding:
| Je werkt aan | Gebruik deze handleiding |
|---|---|
| Tekst en afbeeldingen in de Brightspace Editor | Tekst en afbeeldingen in de Brightspace-editor toegankelijk maken |
| Een Word-document | Een Word document toegankelijk maken en controleren |
| Een PowerPoint-presentatie | Een PowerPoint presentatie toegankelijk maken en controleren |
| Een PDF | Een PDF toegankelijk maken en controleren met Adobe Acrobat Pro |
| Een video of audio-opname | Een video of audio-opname toegankelijk maken |
Gebruik meerdere handleidingen wanneer je verschillende soorten materiaal aanbiedt. Een Brightspace-pagina met een bijgevoegd document en een video vraagt bijvoorbeeld om afzonderlijke aandacht voor alle drie de onderdelen.